Het is een vraag die als een granaat door politiek Nederland rolt: is D66 bezig onze democratie te beschermen, of ondermijnt de partij juist de stem van de burger? Voorstanders noemen D66 een progressieve kracht die Nederland wil moderniseren. Tegenstanders zien een partij die met mooie woorden over “rechtsstaat”, “Europa” en “bestuurlijke vernieuwing” steeds meer macht verplaatst naar instituties, rechters, Brussel en technocratische overlegtafels.

De beschuldiging is zwaar. Bewust de democratie ondermijnen is geen kleine politieke aanval, maar een van de ernstigste verwijten die je een partij kunt maken. Daarvoor is hard bewijs nodig. Toch groeit bij een deel van de kiezers het gevoel dat er iets schuurt. Niet omdat D66 openlijk tegen democratie zou zijn, maar omdat critici vinden dat de partij een vorm van democratie verdedigt waarin de burger vooral mag stemmen, maar daarna steeds minder directe invloed heeft.
D66 heeft een lange geschiedenis als partij die juist geboren werd uit onvrede met het politieke systeem. De partij sprak ooit over meer inspraak, vernieuwing en macht voor de kiezer. Juist daarom is de huidige kritiek zo pijnlijk. Want wie zichzelf presenteert als kampioen van democratische vernieuwing, krijgt extra harde vragen wanneer burgers het gevoel hebben dat hun stem wordt genegeerd.
Een belangrijk punt in deze discussie is het wantrouwen tegen directe volksinvloed. Referenda, burgerinspraak en stevige publieke debatten worden door voorstanders gezien als zuurstof voor de democratie. Maar volgens critici lijkt D66 vaak terughoudend zodra de uitslag van directe inspraak botst met de koers die de partij wenselijk vindt. Dan klinkt al snel het verwijt dat de burger wel serieus wordt genomen zolang hij “goed” stemt, maar minder wanneer hij een ongemakkelijke boodschap afgeeft.
Voor D66-aanhangers is dat beeld oneerlijk. Zij zullen zeggen dat democratie meer is dan de wil van de meerderheid op één moment. Een democratische rechtsstaat beschermt ook minderheden, onafhankelijke rechters, vrije media, internationale afspraken en grondrechten. In hun ogen verdedigt D66 niet minder democratie, maar juist een bredere democratie: één waarin macht begrensd wordt en populistische druk niet zomaar alles mag bepalen.
Maar voor veel tegenstanders klinkt dat als een nette verpakking voor iets anders: macht weghalen bij de kiezer. Wanneer politici zeggen dat bepaalde keuzes te ingewikkeld zijn voor directe volksraadpleging, groeit het gevoel dat burgers vooral worden gezien als risico. Wanneer beleid wordt verdedigd met rapporten, commissies en Europese afspraken, vragen mensen zich af: waar is mijn stem gebleven?
Ook de Europese koers van D66 ligt onder vuur. De partij staat bekend als uitgesproken pro-Europees. Voor haar achterban betekent dat samenwerking, vrede, economische kracht en invloed in een wereld van grootmachten. Maar voor eurosceptische kiezers voelt het alsof Den Haag steeds vaker zegt: “Dit moet van Europa.” En zodra nationale politici zich achter Brussel verschuilen, ontstaat de indruk dat democratische controle verder van de burger af komt te staan.
Daarmee raakt het debat een dieper probleem: niet alleen D66, maar de hele Nederlandse politiek kampt met een vertrouwenscrisis. Steeds meer burgers ervaren afstand tussen hun dagelijkse zorgen en de taal van bestuurders. Ze horen woorden als transitie, klimaatdoelen, institutionele waarborgen en Europese solidariteit, maar vragen zich af wie nog luistert naar hun portemonnee, hun wijk, hun veiligheid en hun toekomst.
In dat klimaat kan D66 gemakkelijk het symbool worden van een politieke elite die volgens critici te veel bestuurt vanuit vergaderzalen en te weinig vanuit de straat. De partij heeft hoogopgeleide, stedelijke en internationaal georiënteerde kiezers sterk weten aan te spreken. Maar precies dat maakt haar kwetsbaar voor het verwijt dat ze te weinig gevoel heeft voor Nederlanders die zich niet herkennen in die wereld.
Toch is voorzichtigheid nodig. Een partij beschuldigen van het bewust ondermijnen van de democratie is iets anders dan zeggen dat haar ideeën verkeerd, elitair of afstandelijk zijn. Democratie betekent ook dat partijen mogen pleiten voor sterke Europese samenwerking, onafhankelijke instituties en bescherming van de rechtsstaat. Het wordt pas gevaarlijk wanneer macht structureel wordt afgeschermd van controle, wanneer kritiek wordt weggezet als gevaarlijk, of wanneer burgers geen echte mogelijkheid meer hebben om koerswijzigingen af te dwingen.
De kernvraag is dus niet alleen of D66 de democratie ondermijnt. De echte vraag is: welke democratie wil Nederland? Een democratie waarin de meerderheid zo direct mogelijk beslist? Of een democratie waarin gekozen politiek wordt begrensd door rechters, verdragen, instituties en internationale afspraken? Beide modellen hebben risico’s. Te weinig directe invloed voedt woede. Te weinig bescherming van regels kan leiden tot willekeur.
D66 zit precies in het oog van die storm. De partij wil zich presenteren als bewaker van de rechtsstaat, maar moet uitleggen waarom zoveel burgers haar ervaren als afstandelijk en bevoogdend. Ze wil democratische vernieuwing claimen, maar moet laten zien dat vernieuwing niet betekent dat de kiezer verder van de macht komt te staan. Ze wil Europa verdedigen, maar moet duidelijk maken hoe Nederlandse burgers controle houden over beslissingen die hun leven raken.
Voor de tegenstanders is het oordeel al bijna geveld: D66 is volgens hen het gezicht van een bestuurscultuur die luistert naar experts, Brussel en rechters, maar te weinig naar gewone Nederlanders. Voor de aanhangers is dat een karikatuur: zij zien een partij die Nederland wil beschermen tegen simplisme, extremen en kortetermijndenken.
De waarheid ligt waarschijnlijk niet in één schreeuwende slogan. Maar het feit dat deze vraag zo hard klinkt, zegt veel over het land. Nederland is nerveus. Nederland twijfelt aan zijn bestuurders. Nederland vraagt zich af of stemmen nog genoeg is om gehoord te worden.
En dát is de waarschuwing die geen enkele partij mag negeren. Niet D66, niet haar tegenstanders, niet de regering en niet de oppositie. Want een democratie sterft zelden in één klap. Ze verzwakt wanneer burgers het gevoel krijgen dat hun stem slechts een ritueel is, terwijl de echte beslissingen elders worden genomen.
Is D66 bewust bezig de democratie te ondermijnen? Dat vraagt bewijs dat verder gaat dan politieke woede. Maar dat veel Nederlanders deze vraag inmiddels durven te stellen, is op zichzelf al een alarmsignaal.
Want in een gezonde democratie moet de macht niet bang zijn voor de burger.
De macht moet bang zijn om de burger kwijt te raken.




